Paardensportcentrum De Hondsrug Borger
”logo”

In 1965 verhuisde voorman Jan Wiering naar het nieuwe huis dat hij had laten bouwen. De familie Venema ging vanaf dat moment in het pand naast de manege wonen. Appie (Albertina) Venema (18 mei 1919) was de zuster van Gien Smeenge, haar man Jan Venema werkte bij Udema in Gieten. Van hun kinderen verliet Harm in 1967 het huis toen hij met Janke Dolfing trouwde. Harm werkte sinds zijn 15e bij het bouwbedrijf Smeenge en had niet veel op met paarden. De andere kinderen Arend, Geesje en Jan wel. Zij waren regelmatig bij de paarden te vinden. Het gezin Venema betaalde geen huur; daarvoor in de plaats werden er op de manege werkzaamheden verricht.

 

Moeder Venema zorgde voor het eten, deed de was en de afwas en zorgde voor de schoonmaak. Hoewel zoon Arend fulltime werkte bij het metaalbedrijf Kemker en Rinsema in Assen, stak hij in mevrouw Venema met Freddie en Geertzijn vrije tijd op de manege ook de handen uit de mouwen. Hij hielp bij het voeren van de paarden en deed ’s avonds nog een rondje stallen. Dat vond hij niet altijd prettig, want als Arend bij zijn verkering en latere echtgenote Geesje Tingen was, moest hij om 11 uur ’s avonds terug naar de manege. Tante Gien kende geen pardon: de paarden gingen voor het meisje. Arend en Geesje beleefden wel veel plezier in het rijden op de paarden van tante Gien.

 

Dochter Geesje reed paard, maar was ook regelmatig op de manege om daar te helpen. De jongste zoon Jan hielp in de vakanties en weekends mee in de stallen en reed ook gasten rond met de kleine ondeugende pony Jozef voor de huifkar. Jan kende de weg én Jozef. Dat laatste was ook wel nodig. Het kwam wel eens voor dat mensen die een huifkartocht boekten, zelf op weg gingen met de huifkar, maar binnen de kortste keren weer voor de deur van de manege stonden. De route ging via de Hunebedstraat – Lemmerstraat – einde weg linksaf over een zandweg, waarna de Drouwenerstraat moest worden overgestoken richting de ruilverkaveling en bossen van Drouwen. Jozef dacht daar dan anders over en ging bij de Drouwenerstraat linksaf richting manege; men moest van goede huize komen om hem van die gedachte af te brengen.  

 

Moeder Venema was een lieve vrouw. Ze stond altijd klaar om in de manege te werken, maar was ook steun en toeverlaat van de jonge ruiters en amazones als Gien Smeenge hen weer eens de kast had uitgeveegd. Bewonderenswaardig was haar houding ten opzichte van haar zuster. Ze was een van de weinigen die Gien Smeenge van repliek kon en durfde te dienen. Gien had daar dan ook wel weer respect voor. In de jaren die volgden verliet Geesje het ouderlijk huis en ging een opleiding tot verpleegkundige volgen in Den Haag. Jan ging na zijn opleiding als bakker bij Bakkerij Zwiers in Gasselternijveen werken. Hij bleef echter zijn vrije tijd in de manege doorbrengen. In 1973 verruilde de familie Venema de boerderij naast het Paardensportcentrum voor een huis aan de Markestraat in Borger. In de boerderij kwamen slaapvertrekken voor de jongeren die in de weekends ’s nachts overbleven en voor de deelnemers aan de ponykampen.